Frits Cohen

  • Vlagtwedde,
    -Ondergedoken,Oorlog overleefd-
    Londen,
    Frits werd 87 jaar


 

Familie


 


 

Verhaal


 

Frits Cohen (1927) woont in Londen. Hij is geboren en opgegroeid in Ter Apel als zoon van een keurmeester in overheidsdienst. Het gezin was orthodox: er werd op sjabbat niet gefietst en het eten was koosjer. Frits beschrijft
zichzelf, terugkijkend op de oorlogsjaren, als een lastige tiener. Uit zijn verhaal komt hij naar voren als iemand die al jong weet wat hij wil en waar hij voor staat: iemand die keuzes maakt en daar naar handelt.

Toen vader Cohen in 1939 door een ongeluk om het leven kwam, moest het gezin de dienstwoning verlaten. Frits was net bezig met de toelating tot de HBS toen zijn oma, moeder en jongere zusje op 1 mei 1940 naar de Ruysdaelstraat in Zutthen verhuisden om dicht bij een favoriete zwager in Hengelo (Gld) te wonen. Frits bleef in Ter Apel. Hij werd bij kennissen ondergebracht tot hij geslaagd was voor het toelatingsexamen. Daarna kwam ook hij naar Zutphen waar hij naar de HBS ging. Toen de oorlog uitbrak, zat hij inmiddels op de Zutphense HBS.

“Op een dag riep het hoofd van de school mij om naar zijn huis te komen. Met tranen over zijn wangen zei hij dat ik niet meer op school mocht blijven.

Omdat ik een lastige jongen was, werd ik in contact gebracht met Mr. Van der Giesen, een rechter die wel meer jongens begeleidde. Hij was een zeer beschaafd man die een surrogaatvader voor me werd. Hij speelde piano, ik viool en we speelden vaak samen. Hij was een kunstkenner, las veel en had veel interesses. Daar heb ik nu nog plezier van.”

Toen duidelijk werd dat de nazi’s het gezin zouden komen ophalen, zei Frits dat hij niet zou gaan. “Ik ga toch niet mee met mensen die me haten? Toen ze bij ons voor de deur stonden, liep mijn moeder naar boven en ging de politie achter haar aan. Daardoor kon ik via de achterkant ontsnappen. Ik zou onderduiken in de Laarstraat, maar daar stond de overvalwagen voor de deur. De man die daar onderduikers had is op de IJsselkade gefusilleerd. Toen ben ik via Van der Giesen ondergebracht, eerst bij de Joodse familie De Winter, maar daar kon ik maar even blijven. Die zorgden ervoor dat ik werd ondergebracht bij de familie Levison, grote handelaars in metalen en lompen. Ik zat daar op zolder en kwam alleen ‘s avonds naar beneden. Zo zat ik als Jood bij Joden ondergedoken, want de Levisons hadden een ‘Sperre’. Dat betekende dat ze tijdelijk veilig waren. Zelfs de kinderen van Levison wisten niet dat ik er verborgen woonde …”

Daarna kwam er een reeks van onderduikadressen op het platteland. Daarvoor kreeg Frits Cohen dankzij het verzet papieren van een overleden jongen van ongeveer zijn leeftijd. “Ik wérd Cor Ris, een jongen uit Noord-Holland. Ik kwam terecht bij boer Houwers in Lintelo. Daar at ik de eerste dag een pannenkoek met spek. Ik had altijd geleerd dat spek onrein was, maar dat mocht ik niet laten zien. Het bleek ook best lekker. Ik sliep in het bed met een knecht, Derk. Ik vroeg Derk waarom hij zijn sokken niet uitdeed. ‘Die heb ik uit,’ was het antwoord. 

Boer Houwers was een streng gereformeerd man die niet erg zachtzinnig met me omging. Hij zag dat ik vies van mest was: zo was ik opgevoed. Dus smeerde hij mest in mijn gezicht toen we buiten aan het werk waren. En als ik niet snel genoeg deed wat er van me verlangd werd, kon ik een trap met zijn klomp krijgen. Daar wilde ik niet blijven. Knecht Derk Kwerreveld kwam uit De Heurne en daar kon ik bij zijn ouders terecht. Het was een heel andere sfeer dan bij Houwers: het waren vriendelijke lieve mensen. Ze wisten overigens niet dat ik Joods was. Ik was gewoon een jongen die niet in de ‘Arbeitseinsatz’ wilde en onderdak nodig had. Ik werkte mee op het land.

Toch viel ik op met mijn donkere krullen en bruine ogen. Dus bedacht ik dat ik naar het zuiden moest, waar mensen vaak wat donkerder zijn dan in de Achterhoek.” Hij kwam terecht in de Peel, maar ook daar kon hij niet lang blijven. “Die mensen hadden uit verschillende huwelijken twee dochters van mijn leeftijd. Die hadden allebei een oogje op me en dat was gevaarlijk. Ik was doodsbenauwd want als ze me bloot zouden zien, zouden ze ook zien dat ik besneden was. Dus kreeg ik van het verzet een adres in Tegelen. Daar moest ik met de trein naar toe, en dat was gevaarlijk. De mensen van het verzet waarschuwden me dat er veel Duitsers in de trein zouden zitten en dat ik niets mocht verraden als ik opgepakt werd. Nou, dat klopte. Tegenover me zat een Duitser, op de andere bank zaten ook Duitsers. Het is maar goed dat ik niet veel gedronken had want ik deed het bijna in mijn broek van spanning.”

Tot overmaat van ramp was hij in Tegelen alles vergeten, had een totale black- out. “Ik wist niet naar wie ik toe moest, wist geen adres meer, helemaal niets. En ik kon niet zomaar op straat aan iemand vragen waar ik kon onderduiken. Tot ik bedacht dat katholieke priesters een soort ambtsgeheim hebben. Dus ging ik een kerk binnen en kreeg de pastoor te spreken. Ik begon met: ‘Ik heb een onwaarschijnlijk verhaal …’ Nadat ik verteld had wie ik was, Cor Ris, en dat er iemand in Tegelen op me wachtte, zei de pastoor: ‘Wij hebben met die dingen niets te maken, wij mogen dat niet doen.’ Toen ging hij weg en liet me de langste vijf minuten van mijn leven wachten. Hij kwam terug met een oude man, de koster. Daar heb ik toen de nacht doorgebracht. Toen ik binnenkwam, lag er een man in de gang te schuimbekken vanwege een epileptische aanval. Ik had zoiets nooit meegemaakt en vond dat erg naar en griezelig, maar ik had geen andere keuze dan daar te blijven en af te wachten wat er zou gebeuren.” “De volgende dag kwam de kapelaan me opzoeken. Die keek een tijdje naar me en zei: ‘Jij bent toch een Joodse jongen?’ Waarop ik antwoordde: ‘Wat is dat voor vraag? Als ik Joods zou zijn, zou ik nee zeggen en nu ik niet Joods ben, zeg ik ook nee. De kapelaan vond dat een mooi Joods antwoord. Ik werd ondergebracht bij Van Sambeek, een echtpaar met twee volwassen dochters.

Rechter Van der Giesen uit Zutphen is me daar nog een keer komen opzoeken. Zo goed was het verzet georganiseerd dat ze hem met me in contact konden
brengen, ondanks de afstand en de geheimhouding.” In Tegelen heeft Frits het einde van de oorlog meegemaakt. Daarna ging hij terug naar Zutphen. Daar wachtte niemand op hem en werd hij ondergebracht bij een leraar die hem vertelde wat hij wel en niet mocht doen. “Maar ik pikte niets van deze lui en toen bleek dat ik in dienst zou moeten, heb ik de benen genomen. Ik wilde best vechten, maar niet in Indië, niet in een strijd waarin ik niet geloofde. Dus vertrok ik richting Palestina. Ik liftte naar Zuid-Frankrijk waar ik werd ondergebracht in een kamp met mensen die naar Palestina wilden. Daar waren ook veel mensen uit de concentratiekampen bij. Ik wilde iets doen, dus ik zei tegen iemand van de Hagana, een paramilitaire Joodse organisatie, dat ik naar Palestina wilde en tot die tijd ook geen duimen wilde draaien. Toen hebben ze me in afwachting van mijn visum aan het werk gezet. Ik kreeg een pand onder mijn hoede waar ik voor zeventig mensen uit de kampen bedden en verblijf moest regelen. Al snel had ik een team gevormd waarmee ik dat op poten zette. Toen mijn visum kwam, ben ik met een schip naar Palestina vertrokken, waar ik eerst door de Engelsen werd gecheckt en daarna door een Joodse organisatie. Die stuurden me naar een kibboets waar ik al snel flink aan het werk kon. Daarna heb ik met een aantal anderen vanuit het niets een kibboets opgezet in de woestijn.

Toch kon ik ook niet in Israël blijven, want ik kon me niet verenigen met de invloed van het geloof op de
inrichting van de staat.” “Toen ik in 1949 terugkwam in Nederland, werd ik gearresteerd omdat ik de dienstplicht had ontlopen. Toen de mensen van het leger in mijn dagboek hadden gelezen wat ik in Israël had gedaan, hebben ze me eervol ontslagen en een half jaarsalaris meegegeven. Nederland was toen erg betrokken bij Israël en ik had laten zien dat ik niet uit lafheid niet in dienst was gegaan. Met dat geld heb ik het begin kunnen maken van mijn verdere leven.”

Uit: Zutphense-onderduikverhalen-Dat-doe-je-gewoon-1940-1945

 

Woonde na de oorlog Berkelsingel 3, Zutphen

 

Bronnen

  • Joodse bewoners in de Schilderswijk Zutphen – Een zoektocht naar verhalen, onderdeel Familie Cohen – Ruysdaelstraat 36, Corinne Abbas.
  • Zutphense onderduikverhalen – Dat doe je gewoon – 1940–1945, Peter Kooij en Bart Mendelson, 2014. Het hoofdstuk over Frits Cohen is gebaseerd op zijn eigen herinneringen en bevat zijn onderduikverhaal.
  • Nationaal Onderduikmuseum Aalten, levensverhaal van Frits Cohen.
  • De Zutphense Kehille in het bijzonder, voor aanvullende gegevens over de familie Cohen.
  • Frits Cohen, Digitaal Joods Monument, persoonsgegevens en familiefoto's. Digitaal Joods Monument – Frits Cohen
  • Gerdien Verschoor, Herinnering aan huizen, verhalen van mensen, voor aanvullende informatie over Frits Cohen, zijn onderduik en zijn bezoeken aan de Ruysdaelstraat. Herinnering aan huizen, verhalen van mensen


 

Foto's