Albert Cuypstraat 15



Personen




Verhalen



Frits Gies, geboren in 1930, groeide op in een gezin waarin het Jood-zijn wel aanwezig was, maar nauwelijks religieus werd beleefd. Zijn moeder stond in Zutphen bekend als “het Jodinnetje van de Albert Cuypstraat”, maar thuis draaide het leven vooral om saamhorigheid en menselijkheid, niet om strikte religieuze regels. Toch bleef de Joodse identiteit altijd voelbaar aanwezig. Frits droeg later een Davidster en vertelde op scholen over zijn oorlogservaringen en de geschiedenis van zijn familie.

De warmste herinneringen uit zijn jeugd waren verbonden aan zijn oom Marcus en tante Eva, die in het souterrain van het verenigingsgebouw naast de synagoge woonden. Oom Marcus werkte er als koster en tante Eva verzorgde het rituele bad. Voor de jonge Frits waren die bezoeken bijzonder: de geur van het gebouw, de sfeer van geborgenheid en vooral de kippensoep van tante Eva bleven hem zijn hele leven bij. In een tijd waarin oorlog, angst en vervolging steeds dichterbij kwamen, werd die soep voor hem het symbool van veiligheid, familie en warmte.

Juist vanuit dat gevoel van verantwoordelijkheid en verbondenheid groeide binnen de familie Gies de bereidheid om anderen te helpen. Al vóór de oorlog hielp Frederik Carel Gies Duitse Joodse vluchtelingen die via smokkelroutes Nederland probeerden te bereiken. Samen met ambtenaar Gerrit Johannes Flameling organiseerde hij in Zutphen een geheime route waarbij vluchtelingen tijdelijk werden ingeschreven in het bevolkingsregister. Dankzij officiële papieren konden zij daarna verder reizen naar Amsterdam, Rotterdam, Engeland of de Verenigde Staten.

Volgens Frits Gies zijn waarschijnlijk honderden vluchtelingen op die manier via Zutphen geholpen. Wie rechtstreeks uit Duitsland kwam, liep het risico onmiddellijk teruggestuurd te worden door de marechaussee. Maar met een uitschrijvingsbewijs uit Zutphen leek iemand een gewone Nederlandse inwoner en kon hij of zij gemakkelijker elders onderduiken of emigreren.

Toen de oorlog uitbrak, veranderde het huis aan de Albert Cuypstraat steeds meer in een schuilplaats. Frits’ moeder Annie Gies-de Haas ving onderduikers op, een daad waarvoor zij later door Yad Vashem werd onderscheiden. Onder de onderduikers bevonden zich de Duits-Joodse vluchtelingen Erwin Juhl, zijn vrouw Aenne Juhl-Kaufmann en haar zus Ilse Swaab-Kaufmann. Vader Gies had hen al vóór de oorlog geholpen Nederland binnen te komen.

Erwin Juhl was aanvankelijk aan de grens teruggestuurd nadat een Duitse officier hem had uitgescholden voor “Dreck-Jude”. Door een woede-uitbarsting van Juhl viel de inktpot over het proces-verbaal, waarna de situatie escaleerde. Uiteindelijk wist Frederik Gies hem alsnog naar Zutphen te halen en van nieuwe papieren te voorzien. Later, toen deportatie dreigde, smokkelde hij Erwin, diens vrouw en schoonzus verborgen in een verhuiswagen van Amsterdam naar Zutphen om onder te duiken.

Het dagelijks leven in de Albert Cuypstraat stond voortdurend in het teken van gevaar en improvisatie. Onderduikers moesten soms via achtertuinen of verborgen luiken verdwijnen wanneer er gevaar dreigde. Voor de buitenwereld deden zij alsof zij slechts op bezoek kwamen: luid afscheid nemen aan de voordeur en daarna heimelijk via de achterzijde terugkeren naar hun schuilplaats.

Voedsel was schaars en werd vaak via ruilhandel verkregen. Tegen het einde van de oorlog werd de situatie steeds nijpender. Gevechten kwamen dichterbij en het gezin moest regelmatig schuilen in kelders terwijl de stad onder vuur lag. Toch bleven juist kleine momenten van menselijkheid betekenis houden: samen eten, vrijdagavonden in familiekring en herinneringen aan de geur van tante Eva’s kippensoep.

De oorlog liet diepe sporen achter bij Frits Gies. Hij herinnerde zich de angst, de razzia’s, de soldaten in de straat en de voortdurende dreiging. Maar naast die angst bleef ook een ander beeld bestaan: dat van mensen die ondanks alles elkaar bleven helpen. Voor Frits werd dat uiteindelijk de kern van zijn herinnering aan de oorlog — niet alleen de vervolging en het gevaar, maar ook de warmte van gewone mensen die onder moeilijke omstandigheden menselijk bleven.

 

Ook in hun vakantiewoning aan de Almenseweg 2 verborg het echtpaar Gies onderduikers.

 

Bronnen

  • Mendelson, Bart & Kooij, Peter, Dat doe je gewoon. Zutphense onderduikverhalen 1940–1945, Zutphen, 2014, p. 52–56 (verhaal Frits Gies, tante Eva, onderduikers en Albert Cuypstraat).
  • Joodse bewoners in de Schilderswijk Zutphen. Een zoektocht naar verhalen, Zutphen, 2021, p. 27–30 (Duitse vluchtelingen, Gerrit Flameling en de familie Gies).
  • Gies, Frits, Bist du ein Jude? Hoe een Joodse tiener de nazi’s overwon, Walburg Pers, Zutphen, 2020.



Foto's