Rijkenhage 6b



Verhalen



Metta Lande

Metta Lande werd in 1924 geboren in Wenen. Nadat haar vader in 1938 naar concentratiekamp Dachau was gedeporteerd, zorgde haar moeder ervoor dat ze naar het buitenland kon vertrekken. Via een kindertransport kwam ze in Nederland terecht, terwijl haar broer naar Palestina ging.

In Loosdrecht volgde Metta een opleiding in een Palestina-pionierskamp, waar ze leerde werken in de landbouw. Toen de dreiging voor Joden toenam, dook ze in augustus 1942 onder. Via de Westerweelgroep kwam ze terecht in Zutphen, bij Griet en Hendrik Wentink. Dit echtpaar was al op leeftijd en had hun kinderen verloren, maar nam toch het risico om haar te helpen.

Tijdens haar verblijf moest Metta altijd binnen blijven. Als er onverwacht bezoek kwam, verstopte ze zich in de wasruimte. Na ongeveer negen maanden werd haar onderduikadres onveilig doordat er geruchten rondgingen dat de Wentinks een Jood verborgen hielden. Daarom werd ze ’s nachts naar een nieuw adres gebracht.

Ze kwam terecht bij een boerengezin in Loosdrecht, waar ze als ‘tante Metta’ werd voorgesteld aan de kinderen. Ze sliep op zolder en at samen met het gezin. Toen er op een dag onverwacht bezoek kwam, moest ze zich onder de tafel verstoppen. De nieuwsgierige vragen van een jong kind maakten de situatie zo riskant dat ze opnieuw moest verhuizen.

Daarna verbleef ze in Hilversum, tot januari 1944. Uiteindelijk wist ze via de Westerweelgroep, via Parijs, naar Palestina te ontsnappen. Haar verloofde, Max Windmüller, werd echter in Drancy vermoord. Metta, die later de naam Shulamit Roethler aannam, bouwde na de oorlog een nieuw leven op in Israël.

In 2008 werden Griet en Hendrik Wentink-Vos postuum erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren, als eerbetoon aan hun moedige hulp.


Bron: Dat doe je gewoon. Zutphense onderduikverhalen 1940–1945 — Bart Mendelson & Peter Kooij, p. 98–99.



Foto's