Simon Wiesenthal Centrum vindt 80 nazi's van doodseskaders uit WO2

3 May 2015
JERUZALEM, 01-10-2014 - Het Simon Wiesenthal Centrum I Jeruzalem stelt 80 nog levende leden te hebben gevonden van de zg. Einsatzgruppen, de nazi-doodseskaders uit Oost-Europa. Het centrum heeft de lijst met namen naar de Duitse overheid gestuurd en dringt aan op een onderzoek. Deze lijst is opgesteld door de nazi-jager en directeur van het Simon Wiesenthal Centrum in Jeruzalem, dr. Efraim Zuroff (foto links). De mensen op de lijst zijn geboren tussen 1920 en 1924 en kunnen nog in leven zijn. "De tijd begint te dringen. Er moet iets gebeuren", zegt Zuroff volgens de NOS. Op zijn lijst staan 76 mannen en 4 vrouwen en hij heeft de namen naar de Duitse ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie gestuurd. Justitie heeft de lijst doorgestuurd aan het kantoor van de speicale aanklager die is belast met de vervolging van oud-nazi's. Speciale officier van justitie Kurt Schrimm heeft laten weten de details nog niet te hebben ontvangen.  Na de oorlog zijn enkele leden van de Einsatzgruppen veroordeeld, maar de meeste ontsprongen de dans. Dankzij nieuwe Duitse wetgeving is het volgens Schrimm nu mogelijk om ex-leden van nazi-doodeskaders veroordeeld te krijgen voor medeplichtigheid aan moord, enkel en alleen op basis van deelname aan zo'n eskader. Einzatsgruppen.  Er waren vier Einzatsgruppen, aangeduid met A, B, C, D. Zij telden elk ongeveer 300-400 leden, meestal SS-ers maar ook leden van politiekorpsen. Hun optreden was gericht tegen zowel Joden als vermeende andere vijanden van de nazi's, zoals leidende communisten. Na de oorlog stonden meerdere leden van de Einsatzgruppen terecht voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. De grootste rechtszaak tegen leden van de Einsatzgruppen vond plaats van 15 september 1947 tot 1948 in Neurenberg in Duitsland.  Het tribunaal werd uitgevoerd door de Amerikanen. Van de 25 aangeklaagden werden er 15 ter dood veroordeeld, maar uiteindelijk zouden alleen Paul Blobel, Werner Braune, Erich Naumann en Otto Ohlendorf op 7 juni 1951 opgehangen worden. Gedurende de jaren 50 zouden de overige mannen vrijgelaten worden. De uitroeiing van de Joden en andere nazi-vijanden door de Einsatzgruppen kreeg na de oorlog minder aandacht dan de massamoord in de gaskamers van Auschwitz en andere vernietigingskampen.  In de Sovjet-Unie werden bij voormalige executieplaatsen monumenten geplaatst voor de slachtoffers van het fascisme, maar de Joden bleven daar als grootste slachtoffergroep ongenoemd. Pas na de val van het IJzeren Gordijn werden monumenten opgericht ter herinnering aan het lot van de Joden.  In de Baltische Staten duurde dat zelfs tot het begin van de 21ste eeuw, omdat het onderwerp gevoelig ligt vanwege de betrokkenheid van lokale collaborateurs bij de massamoord. Sinds 2004 onderzoekt de Franse priester Patrick Desbois massagraven van de slachtoffers van Einsatzgruppen in Oekraïne. In 2010 had hij 700 massagraven gelokaliseerd.  

Waar plaatsen?: