IJsselkade 12

Onderduik

Alie Bekers vader, Willem Beumer, moest wel even met zijn vrouw overleggen toen dominee Padt hem in 1942 aansprak en vroeg of hij plaats had voor twee joodse mensen.

Zij waren voor de Duitsers gevlucht en hadden zich verstopt onder de Marspoortbrug bij het huidige Berkhotel. Het tweetal was doodsbenauwd dat ze opgepakt zouden worden. Zij hadden pas kortgeleden daarvoor te horen gekregen dat hun twee dochters Elisabeth Nora en Jane Henriëtte op hun onderduikadres waren opgepakt en naar het Poolse vernietigingskamp Sobibor waren afgevoerd. (Lees hier over de beide dochters).

Beumer was conciërge en wisselloper van de Oyens Bank en woonde boven het bankgebouw op de hoek van de IJsselkade en de Marspoortstraat. Een groot pand met goede vluchtwegen. Bij onraad zou het tweetal snel via het dak kunnen vluchten. Het echtpaar Beumer was er dan ook snel uit. Zij wilden Aron en Sara Krukziener onderdak bieden.



Aron had een eigen pettenfabriek in het Zutphense Ravenstraatje. Waarom hij zich afgescheiden had van zijn broers, die in de Beekstraat Neerlands grootste pettenfabriek exploiteerden, kwamen ze al snel achter: hij bleek niet de meest prettige persoon om in huis te hebben. Aron was gewend zijn zin te krijgen.



Alie Beker hierover: "Toen ze kwamen bleek dat ze in hun huis aan de Kuiperstraat veel meel en ander voedsel hadden gehamsterd. Aron verlangde dat dit speciaal voor hen bewaard zou worden. Voor na de oorlog. Wij mochten ook niets van het snoep hebben dat ze in een kast hadden opgeborgen. Mijn moeder ging daar echter dwars tegen in. Ook dat hij op zaterdag een speciaal servies wilde, vond ze niet nodig. Hij wilde ook dat haar vader de clandestiene radio weg bracht. Dat vond hij te gevaarlijk. Mijn vader heeft dat geweigerd."



Alie, in 1940 geboren, was een paar jaar oud toen de onderduikers in huis kwamen. "'s Avonds kwamen ze uit hun kamertje om te eten. En daarna werden er spelletjes gedaan. Dat was best gezellig." Later hoorde ze dat zich ook nog het drama had voltrokken dat Sara zwanger raakte en met hulp van de in het complot betrokken huisarts Van Lier abortus moest plegen.



Aan de onderduiking kwam een eind toen in oktober 1944 de IJsselbrug werd gebombardeerd. Hun huis liep daarbij forse schade aan het dak op. Het gezin had zich met het personeel van de bank verscholen in de enorme kluisruimte. Haar vader vond het niet verantwoord om het echtpaar boven op hun kamer te laten zitten. Het bankpersoneel was hoogst verbaasd toen de twee onderduikers zich presenteerden. Het betekende wel dat ze daarna niet langer daar konden blijven en de stad uit zijn gebracht.



Het echtpaar Krukziener overleefde ook dit en vestigde zich na de oorlog op verschillende adressen tot ze een nieuw gebouwd huis op de hoek van de Kuiperstraat en de IJsselkade konden betrekken. (Inmiddels alweer plaats gemaakt voor appartementen)



Alie is er verschillende keren met haar broer en ouders geweest. "Elk jaar kreeg mijn vader een nieuwe pet van hem", kan ze zich nog herinneren. Het aanbod in de oorlog dat haar toen dertienjarige broer na de oorlog op zijn kosten zou mogen studeren, heeft hij niet gestand gedaan. Aron overleed in 1953 op 54-jarige leeftijd. Zijn vrouw Sara Vromen verhuisde daarna naar Den Haag.

Juist deze dagen kreeg Alie Beker van het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag het uittreksel uit het bevolkingsregister van Aron Cutzien (naam later veranderd in Krukziener). Daarin staat dat Aron en Sara op 10 december 1942 'met onbekende woonplaats' (MOW) zijn vertrokken. Op 12 juni 1945 zijn ze weer in Zutphen ingeschreven.

Bron: De Stentor, 7 maart 2008